Een website bouw ik niet rechtstreeks op het internet. Ik werk eerst lokaal, op mijn eigen computer. Daar kan ik rustig dingen uitproberen en kapotmaken zonder dat iemand er iets van merkt. Niemand anders kan op dat moment naar die website surfen.
Is alles klaar, dan moet de code naar een webserver die wel met het internet verbonden is. Dat online zetten noemen we deployment. Het is een van de laatste stappen voor een website live gaat.
Maar het houdt niet op bij de lancering. Elke update die later online gaat, een nieuwe functie of een opgeloste bug, is ook een deployment.
Hoe gaat dat in zijn werk?
Vroeger sleepte een developer bestanden met een FTP-programma naar de server. Dat werkt, maar er gaat al eens iets mis. Een bestand dat vergeten wordt, of een website die even half werkt tijdens het kopiƫren.
Vandaag loopt een deployment meestal automatisch. De code staat in Git, en een script zet de nieuwe versie klaar op de server, voert de nodige stappen uit en schakelt pas om wanneer alles in orde is. Gaat er toch iets mis, dan staat de vorige versie zo terug online.
En een ongeschreven regel onder developers: niet deployen op vrijdagnamiddag. Tenzij je je weekend graag achter je laptop doorbrengt.